Langzaam komt hij aanzwemmen, de woerd. Hij houdt zijn zwemvliezen in voor mijn tuintje, kwaakt een keer of wat, maar omdat ik zijn taal niet spreek en dus zijn gekwaak niet beantwoord, zet hij zijn zwemvliezen weer in beweging en keert mij in alle rust de ‘rug’ toe.
Toch begreep ik hem wel.
Hij wilde vast wat brood. Hij is immers gewend dat ik op sta om het overgebleven brood van het aanrecht te pakken om vervolgens de eendjes ermee te verwennen.
Dit keer echter ben ik te loom om op te staan.
Ik geniet van het zonnetje en mijn goede boek.
Zou hij mij begrepen hebben?
Verzonken in de letters die woorden, zinnen, pagina’s, en tenslotte een boek vormen, mezelf wanend in een wereld die niet hier is maar 487 kilometer verder, uit een tijd die niet nu is maar ruim 100 jaar geleden, hoor ik ook de vogels zingen.
In mijn hoofd dreunen de woorden die ik lees met enige intonatie van weemoed.
En als ik nu hardop zou lezen dan zouden de klanken van hoog naar laag, van hard naar zacht gaan. Je zou duidelijk het vraag- of uitroepteken aan het einde van een zin kunnen horen. Ik zou je meeslepen door Parijs in een tijd van toen nog armoedige kunstenaars, hun zuur verdiende geld verdrinkend in Franse kroegjes.
Maar de vogels zingen!
Ze zingen als ze boos zijn.
Ze zingen als ze blij zijn.
Ze zingen als ze bang zijn.
Ik wilde dat ik hen begrijpen kon.
Ik zou vandaag zingend door het leven willen.
Niet als in een opera of operette.
Ook niet als in een musical.
Maar als een vogel.
Zingend, me aanpassend aan de sfeer, als in een chanson, probeer ik de woorden in het boek weer op te pakken.
Er is geen melodie, slechts een soort van ritme.
Ach….ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is.