View: 4

Duitsland – was ich noch zu sagen hätte

Een oproep om een kort stuk te schrijven over Duitsland – was ich noch zu sagen hätte…. Ik kreeg het…
Columns

imagesKGBD9FTIEen oproep om een kort stuk te schrijven over Duitsland – was ich noch zu sagen hätte….
Ik kreeg het niet korter dan dit, en heb dus maar niet meegedaan met de wedstrijd.
En dus plaats ik het maar hier 🙂

Artikel boekenweek 2016

Duitsland – was ich noch zu sagen hätte…

 

‘Moffen’………. Ik wist niet beter of ze heetten moffen…..liefst nog ‘die rotmoffen’.

Vanaf het moment dat ik ter wereld kwam was dit zo.

Wanneer ik er achter kwam dat ze Duitsers heten weet ik niet meer.

Moffen!

Behalve…..

Behalve als ze op zakenbezoek kwamen om over belangrijke economische kwesties te praten, dan waren het ‘die mannen …….’.

Mijn vader had een behoorlijk aanzien in de jaren ’60 tot ’80, ‘een groot zakenman’.

Van over de hele wereld kwamen zakenrelaties praten over economische projecten. Er waren vergaderingen, meetings en er kwam een wekelijkse ‘nieuwsbrief’ uit waarin projecten stonden waarin mijn vader bemiddelde en netwerkte.

Economie was belangrijk. Als de economie bloeit krijgt oorlog geen kans!

 

Ik keek tegen mijn vader op. Hij was belangrijk…..in de zakenwereld…. want in zijn eigen wereldje was hij klein, beschadigd, gefrustreerd en, sorry voor het Duits pap; unheimlich.

In mei, notabene mijn geboortemaand was het hoogtij.

Dan dronk mijn vader veel meer dan hij anders ook al deed. Dan schold mijn vader veel meer dan hij anders ook al deed. Dan was hij onrustiger dan hij eigenlijk altijd al was. Dan vloekte en tierde hij meer en vaker en erger dan je hem anders ook al hoorde. Dan leek de volumineuze man met bulderstem ineens te krimpen. Was hij kleiner leek het, en kwetsbaar.

Dan kwam de oorzaak, van waarom hij zo hard werkte, ineens heel dichtbij. Heldere herinneringen in schreeuwende nachtelijke nachtmerries of hatelijke nachtelijke kwade dronkenmanstaal om over te gaan in zielige huilbuien waarin de uithalen je door merg en been gingen. Om de volgende ochtend wakker te worden met vreselijke maagpijnen, die hij eigenlijk ook altijd wel had.

We zijn de eerste jaren heel wat keren verhuisd. Het huis mocht niet te klein zijn en de plafonds vooral niet te laag. Mijn vader voelde zich anders opgesloten. Eindelijk vond hij het perfecte huis. Nog wel het huis waar gewonde soldaten verpleegd werden tijdens de Slag om Arnhem.

Hoge plafonds en een ruime tuin. Ruimte was belangrijk. Je moest weg kunnen!

Het huis stond bovenaan een lange oprijlaan, ver van de weg vandaan. Dat was belangrijk want er mochten vooral geen gordijnen voor de ramen. Je moest het gevaar zien aankomen om er voor weg te kunnen vluchten.

En daar waar ieder kind in een gezin opgroeit met de woorden ‘doe die deur achter je gat dicht’ of ‘ben je in de kerk geboren’ groeide ik op in een huisgezin waar je vooral níét de deuren dicht mocht doen, ‘laat open die deur, ben je gek geworden’!

Het huis stond en hing vol. Vol met zijn schatten van over de hele wereld als vermeend teruggevonden scherven. Hij, die tot twee keer toe niets bezeten had, niets te eten had gehad, smeet met geld om steeds meer bezittingen te vergaren. Dat was handig……voor als er óóít weer iets zou gebeuren.

En dan dat eten. Elk weekend eten in een restaurant tot je plofte, want oh als die tijden weer kwamen dat je niets had, dan kon je op de nu gegeten reserves teren en tijdens het eten van suikerbieten of ‘kattenstront’ er aan terug denken.

En natuurlijk kon hij ‘die moffen’ laten zien dat het hem goed ging. Dat ze hem niet ‘stuk’ hadden gekregen. Dit was zijn ‘Reich’.

Zijn dromen waren nachtmerries.

Zijn gedachten bestonden uit angstbeelden.

En al hing hij altijd als eerste in de laan, in die meimaand op 4 mei, de vlag halfstok en moesten wij, hoe klein en jong we ook waren, twee minuten muisstil zijn en niet bewegen. Al ging de vlag op 5 mei hoog in top, al moesten wij in weer en wind verplicht bloemen leggen op de graven van de onbekende soldaten en de Airbornetocht lopen, zijn wereld stortte keer op keer in.

De buitenwereld wist van niets. Wij wisten wel beter.

Een leven in en aan flarden. Flarden van zichtbare en onzichtbare littekens met hun verhalen. Flarden van gruwelijke verhalen over onderduiken, ‘die rotmoffen’ die een zwangere vrouw, midden op straat in haar buik schoten, de geheime dienst, het verzet, het loerende verraad. Flarden van vertelde heldenmoed en verzwegen zwakte.

Meer niet verteld dan wel. De wereld is niet te vertrouwen. We konden maar beter niet teveel weten. Dan kon je ook niets verder vertellen. Of heet zoiets ‘verraden’?

Alsof wij………………..

Dat mijn moeder een Jappenkamp overleefde en op 15 augustus haar moeilijke dag had, was volkomen onbelangrijk. Dat zij juist extreem spaarzame zuinigheid betrachtte, altijd alles hamsterde en haar moed, gruwelijke herinneringen van vernedering, angst, pijn en verdriet met verbeten op elkaar geknepen lippen verzweeg, was totaal ondergeschikt. Zoals zij in het huwelijk met mijn vader hardop uitgesproken ondergeschikt, maar verzwegen totaal onmisbaar was.

Mijn vader bestond uit bindings- en verlatingsangst. Zijn liefde kon hij niet tonen. Toch voelde je dat hij van je hield, trots op je was, als zijn bezit…………

Aantrekken….afstoten……………

Mijn moeder, mijn zus en ik leefden met een dag- en nachtklok. Vertellen waar je was, hoe lang je bleef en op de seconde af op tijd thuis zijn. Niet slapen als hij wakker was. NIET SLAPEN!!! En liefst vóóral níét weggaan. NIET WEGGAAN!!!!

Studeren, leren, een goede baan krijgen, aanzien krijgen. Dan kwam het wel goed. Dan kon je helpen de economie gezond te houden en lag oorlog niet bij jou op de loer.

Niet klagen! We mochten niet klagen. We moesten toch weten en voelen hoe goed we het juist hadden.

‘Klaag niet zo, je weet niet waar je het over hebt, je hebt geen oorlog meegemaakt’.

Jullie kennen niet de angst voor ronkende motoren van gevechtsvliegtuigen boven je hoofd die bombardementen uitvoeren. Jullie kennen niet de angst van onderduiken en vluchten.

Jullie weten niet wat échte angst is.

Jullie weten niet wat honger is. ‘Honger?….Jullie hebben geen honger……jullie hebben trek’!

En niet ziek zijn. We mochten niet ziek zijn. Ziek zijn was immers een teken van zwakte. Zwakte was gevaarlijk. Als je zwak bent kun je niet overleven…………

 

Was ich noch zu sagen hätte…

Een generatie vol oorlogen.

En daarna de wederopbouw voor die tweede generatie, voor wie het aan niks mocht ontbreken.

Ik ben die tweede generatie.

Het ontbrak ons aan veel van wat, alles en niets, met oorlog te maken had.

Nog worstelen we soms met de verwrongen uitingen en overgebrachte angsten van onverwerkte emoties van onze ouders en grootouders die de oorlog wél meemaakten. En komen dit, als rondvliegende granaatscherven, in flarden tegen. Wij voerden een nieuwe oorlog. Onze eigen tweede generatie, door luxe verzwolgen, oorlog.

 

Maar ik begin veel ‘moffen’ aardige Duitsers te vinden (behalve als we tegen ’de mof’ moeten voetballen)

Ik begin Duitsers ook te respecteren om bijv. hun ‘Wilkommen Politik’. (behalve als ik die ‘moffen’ met kaalgeschoren koppen en getatoeëerde hakenkruizen voorbij zie komen)

Intussen weet ik dat het niet een land is die de oorlog begint maar ‘de mens’.

 

Ik ben één van die tweede generatie oorlogsslachtoffers. Een vergeten generatie.

Nee, ik klaag niet. Ik heb immers, al ontsprong ik nét de Parijse ‘dance macabre’ van 13 november 2015, die vreselijke oorlog(en) niet meegemaakt.

Ik ben en blijf heel dankbaar dat wij in vrijheid leven mogen. Verleg mijn kwetsbare grenzen van normen en waarden over vrijheid niet!

Ik vecht me, opdat wij niet vergeten, kapot om die zo zwaar bevochten vrijheid, de mens, mezelf, mijn zo geliefde derde en inmiddels zelfs vierde generatie, steeds weer een nieuwe kans te bieden, nieuw leven in te blazen en het vertrouwen te bewaren en door ter geven dat het ooit goed zal komen.

Erfenis van een oorlogsgeneratie .

 

 

 

 

admin

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *